“Kijk je nu alweer naar oude televisieseries?”, vraagt Astrid regelmatig. Ja, ik begin oud te worden. Jaargang 1964. Zou dat zwart-wit denken dat ik soms heb daar ook mee te maken hebben?

Ik ben gek op oude films en oude boeken. Zwart-wit maakt me niets uit. Oud-Nederlandse taal met naamvallen, zoals in het Duits, ook prima.

Heeft dat met mijn leeftijd te maken? Nee, denk het niet.

Als kleine jongen las ik al graag oude boeken. Historische biografieën van Nederlandse zeehelden als Maarten Harpertszoon Tromp en Michiel Adriaanszoon De Ruyter bijvoorbeeld.

Ook toen had ik geen problemen met oud-Nederlandse taal. Ik heb er eigenlijk nooit bij stilgestaan destijds, bedenk ik me nu.

Ben ik conservatief? Niet bepaald. Eerder vooruitstrevend. Ik ben ook dol op sciencefiction. Op nieuwe technologie. De vooruitgang kan me niet snel genoeg gaan.

De vooruitgang laat zich niet stoppen. Hooguit vertragen.

Iedereen die trots is op onze geschiedenis zou zich moeten beseffen dat de welvaart die we nu kennen te danken is aan pioniers die ondanks grote tegenwerking van de conservatieven van hun tijd hun ideeën toch hebben weten te realiseren.

Ik kan slecht tegen mensen die zonder enig onderzoek iedere innovatie bij voorbaat in een kwaad daglicht stellen.

Natuurlijk is niet iedere uitvinder een genie.

Natuurlijk zijn er uitvinders die geen rekening houden met de rest van de wereld. Uitvindingen die gevaarlijk zijn voor mens, dier en milieu.

Maar dat geldt toch niet bij voorbaat voor alle ontwikkelingen die tot gevolg hebben dat wij als mens uit onze comfortzone moeten komen?

De kolenboer was tegen het aardgas.

Logisch, hij verloor zijn broodwinning.

Het aardgas kwam er toch.

Vanwege het klimaat en de aardbevingen in Groningen wordt er nu hard gewerkt aan innovaties die ons aan alternatieve milieuvriendelijke energie moeten helpen.

Sceptici vinden het absurd dat we nu opeens snel van het gas af moeten.

Onmogelijk, denken zij.

Alles is mogelijk, denk ik.

In 1974 moesten we op de lagere school een tekening maken waarin we een beeld van de toekomst schetsten.

Ik ben nooit goed geweest in tekenen.

Die dag tekende ik een simpele platte doos. Meer niet. Het ging om het verhaal dat ik erbij gefantaseerd had.

Achteraf was dat verhaal geniaal. Ik was mijn tijd ver vooruit.

Met die platte doos konden we in de toekomst televisie kijken en muziek luisteren, vertelde ik de meester.

In die tijd hadden hadden we nog grote zware televisies met beeldbuizen in de woonkamer staan.

Twee Nederlandse zenders. Antenne op het dak, want kabelnetten en internet moesten nog uitgevonden worden.

Een afstandsbediening bestond nog niet.

Mijn fantasie was nog een utopie.

Ik kreeg een magere 5 voor de tekening.

Achteraf heb ik een laptop of een smartphone getekend. Die tekening was zo gek nog niet.

Terug naar de zwart-wit televisie.

Terug naar Dorus.

Een komiek die tegenwoordig nog maar weinig mensen kennen.

Hij is bij ouderen vooral nog bekend vanwege het liedje Poesiemauw. Vraag maar eens aan een opa of oma. Iedere willekeurige bejaarde kent het fragment.

Dorus is in mijn geheugen blijven hangen vanwege de geniale muizenval die hij presenteerde. Net zo simpel als de platte doos die ik tekende.

De sketch begint hilarisch. Dorus loopt een octrooibureau binnen. Hij wil patent op een nieuwe muizenval. Een dronken ambtenaar ontvangt hem skeptisch.

“Ik neem aan dat gij behoort tot het grote leger van tot nog toe miskende genieën dat meent de mensheid van tijd tot tijd te verrassen met een opzienbarende uitvinding?”

“Ja, meneer”, zegt Dorus.

“Daar was ik al bang voor”, lalt de ambtenaar.